Ik weet niet wie - of wat - de vraag stelde.

Ik weet niet wanneer zij gesteld werd.

Ik herinner me niet dat ik antwoordde.

Maar eens zei ik ja, tegen iemand - of iets.

Vanaf dat moment heb ik de zekerheid, dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft.

     Dag Hammarskjöld

 

Boven me fladdert een witte vlinder in de lucht

met vleugeltjes die alleen van hem zijn

en over mijn handen vliegt zijn schaduw,

geen andere, niet zomaar een, alleen de zijne.

 

Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid 

dat wat belangrijk is

belangrijker is dan wat onbelangrijk is.

   Wislawa Szymborska

 

DE WEG,

je zult hem volgen.

Het geluk,

je zult het vergeten.

De kelk,

je zult hem ledigen.

De smart,

je zult haar verbergen.

Het antwoord,

je zult het leren.

Het einde,

je zult het dragen.

     Dag Hammarskjöld

 

Eenvoud is het ervaren van de werkelijkheid -

niet in haar relatie tot onszelf maar in geheel haar heilige onafhankelijkheid.

Eenvoud is zien, oordelen en handelen vanuit het punt waar we in onszelf rusten.

Hoeveel valt er dan niet weg!

En hoe valt al het andere niet op zijn plaats!

     Dag Hammarskjöld

 

VERZOENEN

Dit is de zin van het bestaan:

vrijheid verzoenen met

dienstbaarheid

wat voorbijgaat

verzoenen met wat blijft,

de draden van het tijdelijke

inweven in het weefsel

van het eeuwige

     Abraham Jehoshua Heschel

 

Wie ben ik?

Ze zeggen me vaak:

je treedt uit je cel

rustig, blij en zeker

als een burchtheer uit zijn slot.

Wie ben ik?

Ze zeggen me vaak:

je spreekt met de bewakers

vrij, vriendelijk en rechtuit,

als was je hun heer.

Wie ben ik?

Ze zeggen me ook:

je draagt je zwarte dagen

evenwichtig, glimlachend en zelfbewust,

als iemand die gewend is te overwinnen.

Ben ik werkelijk

wat anderen van me zeggen?

Of ben ik alleen wat ik weet van mezelf:

onrustig, vol heimwee, ziek als een gekooide vogel

snakkend naar levensadem, als werd ik gewurgd,

hongerend naar kleuren, naar bloemen, naar vogelstemmen,

dorstend naar goede woorden, naar menselijke nabijheid,

trillend van woede om willekeur, om de geringste krenking,

opgejaagd wachtend op grote dingen,

machteloos bang om vrienden ver weg,

moe en te leeg om te bidden, te denken, te werken,

lusteloos en bereid om van alles afscheid te nemen?

Wie ben ik? De een of de ander?

Ben ik nu de een en morgen de ander?

Ben ik beiden tegelijk?

Voor mensen een huichelaar

en voor mezelf een verachtelijk kleinzerige zwakkeling?

Of lijkt wat nog in mij over is op een verslagen leger,

dat in wanorde vlucht voor de al verloren slag?

Wie ben ik?

Eenzame vragen drijven met mij de spot.

Wie ik ook ben, U kent mijn,

ik ben van U, o God!

     Dietrich Bonhoeffer, Gevangenis Berlijn - Tegel, juli 1944

 

Gij hebt mij ’t eerst bemind, o God.

De hele dag,

het hele leven door

bemint Gij mij het eerst.

Als ik in de morgen ontwaak

en mijn ziel tot U wend,

zijt Gij de eerste:

Gij hebt mij ’t eerst bemind.

Als in de dageraad ik opsta van mijn bed

en op datzelfde ogenblik mij biddend richt tot U,

zijt Gij mij voor:

Gij hebt mij ’t eerst bemind.

Als in de dag ik mij onttrek aan de verstrooiing van het leven,

mijn ziel tot inkeer breng en denk aan U,

dan denkt Gij reeds aan mij:

Gij hebt mij ’t eerst bemind.

En ik, ondankbaar mens,

die altijd denk en spreek

alsof Gij maar één keer

het eerst mij hebt bemind. 

     Sören Kierkegaard